P.S. scrol naar onderen voor het liedje!

Het was bevrijdend. Bijna twee jaar geleden was het zo ver. Ik had besloten ervoor te gaan. Ik zegde mijn vaste contract in de zorg op en vanaf toen was ik fulltime muzikant.

In het afgelopen jaar trad ik anderhalf keer zo vaak op als in het jaar ervoor, en heb ik twee keer zoveel verdiend als in het jaar daarvoor. En ik gaf twee keer zoveel uit aan opnames, promotie, video’s en ander beeldmateriaal. 😉

Maar wat eigenlijk interessanter was aan het afgelopen jaar is dat mijn groei als artiest en kunstenaar ook met 200% toe is genomen. Steeds vaker ben ik echt enthousiast over wat ik maak, steeds vaker weet ik de kern te raken met de tekst en steeds vaker heb ik het vertrouwen dat ik iets moois in handen heb. Iets dat mensen raakt en prikkelt, verstilt of opvrolijkt.

Met dat vertrouwen op zak dacht ik – ik ga eens aan wat muziekwedstrijden meedoen. De reden hiervoor is eenvoudig: ik wil graag de rest van Nederland bereiken om ook daar op te kunnen treden! Met een optreden in een verdwaalde stamkroeg in Utrecht of Amsterdam ga je het land niet veroveren. Je moet goed en vaak zichtbaar zijn.

Afijn, ik schreef me in voor de popronde (niet geselecteerd), voor een lokale talentenjacht (tot in de finale maar helaas), voor het Amsterdams kleinkunst festival (16e van de 48. De eerste 15 mochten door naar de tweede ronde) en voor de Nekka wedstrijd (gekomen tot in de halve finale, bij de laatste 22 van de 150 inschrijvingen). Niet winnen betekent bij een talentenjacht helaas meestal ‘met niets naar huis’.

En ik werd radeloos van alle afwijzingen en ‘net-niets’. Soms stond ik de dag erna weer in een huiskamer of café waar ik iedereen betoverde. Achteraf kostte het dan moeite om niet in tranen uit te barsten. Hoe kon het dat zoveel mensen mijn muziek geweldig vonden, maar dat ik bij al die competities toch niet echt ver genoeg wist te komen om deuken in pakjes boter te slaan?

Nu probeer ik bij het schrijven van liedjes altijd om toegankelijk te blijven. Zware liedjes wissel ik af met vrolijke, en coupletten met een ingewikkelde tekst krijgen een eenvoudig, catchy refrein mee. Toch wil ik altijd graag iets meegeven, een boodschap, een gevoel, of gewoon iets voor de luisteraar om over na te denken. Sommige mensen gaven het advies om het extremer te maken, om een hele kenmerkende, eigen stijl te ontwikkelen. En weer anderen zeiden dat ik nu eenmaal in een niche zit en gewoon moest accepteren dat dat altijd vrij klein blijft.

Dus ik begon weer te twijfelen. Wat kan ik nog doen? Zitten mensen wel te wachten op liedjes met een boodschap? Ben ik te moralistisch, dring ik het teveel op? Moet ik dan overgeproduceerde popliedjes eruit gaan stampen om maar m’n huur te kunnen betalen? De troubadour sterft een zachte dood…

Ik ben zzp-er, maar mijn ‘dienst’ (muziek) is verweven met mijn persoonlijkheid, m’n emoties en mijn overtuigingen. Verliezen bij een wedstrijd, geen recensie krijgen op een groot platform, kroegen die te weinig betalen. Het kan voelen als een afwijzing van mij in plaats van van mijn muziek. Maar temidden van al die ups en downs en tegenstrijdige adviezen leerde ik er ook iets heel waardevols bij. Blijkbaar weet niemand het echt. Niches kunnen een rage worden, een eigen stijl kan worden opgehemeld of worden uitgekostst. Toegankelijkheid kan helpen maar het geeft zeker geen garanties. Diepzinnig, licht, zwaar, zin en onzin. Je kan overal mee verliezen en winnen.

Hoe naar ik me daar ook over heb gevoeld, het betekent ook dat ik precies kan maken wat ik wil. Minder consessies. Verhalen zonder refreinen? Spoken word? Overgeproduceerde catchy deuntjes zonder inhoud? Samenwerken met DJ’s, rappers, of wie dan ook? Het kan. De troubadour is dood. Leve de troubadour!

Het juiste antwoord op twijfel werd al een paar decennia geleden gevonden door Kris Kristofferson.
Om het jaar af te sluiten heb ik het liedje hertaald. Hier is mijn eigen versie van: ‘De duivel verslaan’

Reacties staan uit voor dit bericht.